Home » Kunstwerken » schildertechniek

Jan van Eyck: verfijning van een schildertechniek.

 

De techniek die Jan van Eyck zo bekend maakte, en waar een hele kunststroming genaamd de Vlaamse Primitieven aan gewijd is, is het schilderen met olieverf op houtpanelen. Italiaanse geschriften uit die tijd duiden van Eyck aan als uitvinder van de olieverf, hoewel dit niet klopt. Van Eyck was niet de eerste die met olieverf in plaats van eigeel en lijm schilderde. Robert Campin, ook bekend als de Meester van Flemalle en de leermeester van onder andere Rogier van der Weyden, was van Eyck voor met deze techniek.

 

De verf die ingeburgerd was voor van Eycks tijd, was tempera. Tempera is een schildertechniek waarbij droog pigment wordt gemengd met eierdooier, lijm of water. Tempera droogt snel en kan bederven, waardoor schilders steeds opnieuw hun verf moesten maken. Ook is tempera niet transparant, zoals olieverf, waardoor men niet alla prima[1] kon schilderen en enkel kleurmengelingen kon maken door te arceren, wat het schilderen met tempera heel arbeidsintensief maakt.

 

Olieverf daarentegen bestaat uit pigment dat gebonden is met olie, meestal lijnzaadolie. Dit gaf de oude, veelgebruikte pigmenten, een stralende glans. Deze verf was bovendien heel transparant en door de toevoeging van olie werd de droogtijd veel langer, waardoor men alla prima kon schilderen en de schilders veel meer diepte aan hun kunstwerken konden geven. Toen de olieverf haar intrede deed, behoorde de temperaverf niet meteen tot het verleden. De meeste kunstenaars gebruikten een combinatie van de twee, in tegenstelling tot van Eyck.

 

Jan van Eyck heeft de olieverf dan niet uitgevonden, hij heeft deze techniek wel geperfectioneerd en heeft er zijn faam mee verworven. Van Eyck gebruikte enkel olieverf op een houtpaneel, voorzien van een dikke laag wit krijt, dat als isolatie moest dienen tussen het paneel en de verf. Hij maakte ten volste gebruik van de transparantie van de olieverf door te glaceren, een techniek waarbij hij meerdere dunne lagen verf aanbracht, van licht naar donker. Dit in combinatie met de witte krijtlaag die zich onder de verf bevond zorgde voor een diepe kleurenglans.

 

Voor van Eyck begon met schilderen, bracht hij eerst een ondertekening aan op de isoleer laag, waar hij dan later over schildert. Bewijs hiervan zien we op het onafgewerkte schilderij de Heilige Barbara van Nicodemië, waarbij van Eyck enkel de luchtpartij heeft geschilderd en we verder enkel de ondertekening uitgevoerd in een soort waterverf zien.

 

Buiten schilderijen zijn er ook enkele tekeningen van van Eyck gevonden in zilver- en/of goudstift op papier, wat in der tijd een duur materiaal was. Door deze ontdekkingen gaat men er tegenwoordig van uit dat van Eyck voor al zijn schilderijen eerst studies maakte op papier.

 

Het atelier van Jan van Eyck bevond zich in Brugge en werd vermoedelijk opgericht rond 1432, nadat van Eyck zich hier permanent had gevestigd. 9 jaar na zijn dood, in 1450, werd het atelier gesloten nadat zijn dochter in het agnetenklooster te Maaseik trad.  Veel details zijn niet gekend over van Eycks atelier, maar toch zijn er twee schilderijen bekend waarop het tafereel in dit bewuste atelier wordt uitgebeeld. Het eerste zijnde een schilderij van E. A. Wallays, gemaakt in de 19de eeuw. Op dit schilderij zien we de Bourgondische hertog Filips de Goede en diens vrouw Isabella die een bezoek brengen aan het atelier van van Eyck. Men betwist of dit tafereel werkelijk heeft plaatsgevonden, daar Hubert van Eyck hier ook op is afgebeeld en deze volgens historische bronnen te vroeg gestorven moest zijn om deze edelen ontmoet te kunnen hebben. 

[1] Alla prima of nat-in-natschilderen is een schildertechniek waarbij men over voorafgaande, nog natte lagen gaat schilderen.